Ik heb meestal veel sympathie voor allerlei beesten, maar ik maak een uitzondering voor naakte slakken, luizen en zaagwespen. En bladluizen (Aphidinae). Het zou zo erg nog niet zijn als ze een beetje verspreid zouden zitten, maar neen: ze weigeren op iets anders dan malse jonge scheuten van rozen te zitten.
Het moet gezegd: het is moeilijk om er niet een beetje bewondering voor te krijgen. Bladluizen kunnen parthenogenetisch zijn gedurende een heel deel van hun leven, en ze zijn ovipaar en/of vivipaar op verschillende momenten tijdens het jaar. Tijdens de lenten en de zomer zijn alle bladluizen parthenogenetisch en vivipaar: vrouwtjes brengen andere vrouwtjes voor, die ze levend baren, zonder dat er ergens een eitje bevrucht hoeft te worden. Als je er een tijdje naar blijft kijken, zie je soms hoe een levend en bewegend miniatuur-bladluisje uit de achterkant van een andere komt, en meteen begint te vreten:
Wat al helemaal mind-boggling is: het pas geboren bladluisje heeft niet alleen al een ontwikkelende dochter in zich, maar die dochter heeft vaak ook al een kleindochter in volle ontwikkeling.
Sommige bladluizen die in de zomer parthenogenetisch zijn, brengen in de herfst vrouwtjes én mannetjes voort, die paren en eitjes leggen. Die eitjes overwinteren, en de volgende lente komen er weer parthenogenetische vrouwtjes uit. Andere bladluizen hebben een speciaal tussenstadium (een hiernalis), die ze winter overleeft, en bij nog andere soorten overwintert het volwassen dier.
In onze tuin overwinteren de bladluizen in de beschutting van laaghangende planten:
Daarnaast is het niet altijd duidelijk of het om witte en zwarte bladluizen gaat dan wel over beschimmelde en zwarte bladluizen:
Mieren houden er soms kuddes bladluizen op na, die ze melken voor de zoete honingdauw die uit hun achterwerk komt: