Wielwebspinnen (Araneidae) bouwens een wielvormig web met plakkerig spinrag. Meestal zit de spin zelf verdoken, en houdt ze haar poten op een signaaldraad, maar vaak zit ze ook in het midden van het web; van zodra een prooi verstrikt geraakt in het web, wordt de spin het meteen gewaar, rent ze er naartoe en wikkelt ze de prooi in. Ze spuit een vergif in waarbij het beest verlamd wordt en het innenste vloeibaar wordt, en dan zuigt ze het pakje helemaal leeg.
Waarschijnlijk de meest herkenbare van alle spinnen. Je ziet ze de hele zomer lang tot laat in de herfst steeds groter worden in hun ook steeds groter wordende spinnenwebben—dat ze trouwens elke dag weer afbreken en opnieuw weven.
Mannetjes zijn onmiddellijk herkenbaar: ze zijn langgerekter van achterlijf, hebben in vergelijking veel langere poten. Als ze wat groter zijn, zie je ook heel erg duidelijk de gezwollen pedipalpen. Als je echt dichtbij komt, kun je bij volwassen vrouwtjeskruisspinnen heel erg duidelijk de uitwendige geslachtsdelen (epigyne) zien zitten op de onderkant van het achterlijf:
Het mannetje van de foto rechts hierboven heeft een paar dagen in de buurt rondgehangen, tot ik hem op een dag heel erg langzaam aan een draadje uit het web van het vrouwtje naar beneden zag zakken.
Ik had het alleen nog maar gezien bij een veel kleiner spinnetje, maar 't is precies hetzelfde gedrag: ik kwam eraan en het beest trok al zijn poten in en bleef roerloos zitten. En dan kon ik er alles mee doen dat ik wou, verrollen, omgekeerd leggen: beestje bleef roerloos. Alleen als ik ze op mijn hand legde kwam ze weer bij en zat ze weer met de pootjes gespreid en alert. Alhoewel, alert, ze was blijkbaar zó uitgeput (of zó à l'article de la mort, wie weet) dat ze gewoon praktisch niet meer bewoog en geduldig poseerde voor de camera als ik ze dan weer op de grond zette:
Hoe paren spinnen? Heel voorzichig, vrees ik, toch zeker voor het mannetje. De twee hieronder zijn een hele tijd bezig geweest tegen de muur. Het mannetje, bijzonder nerveus, probeerde zijn pedipalpen in de buurt van de epigyne van het vrouwtje te krijgen, en het vrouwtje zat met de pootjes helemaal ingetrokken, bij de minste beweging haalde ze uit met haar voorpoten of kroop ze terug naar beneden om te schuilen.
Het mannetje was op geen tijd twee poten kwijt, en een paar uur nadat ik ze allebei voor het eerst gezien had, was het definitief opgevreten. Ik kijk uit naar de jongen.
In ieder geval zitten de kruisspinnen tot diep in de herfst in onze tuin, vetter en groter dan ooit tevoren:
De vrouwelijke kruisspin legt haar eitjes in een witgele bol; als de jongen uitkomen blijven ze nog een tijd in het web zitten voor ze uitzwermen. In de lente en de vroege zomer zie je overal kleine kruisspinnetjes.
Hieronder zie je hoe een kruisspin aan ons keukenvenster omgaat met een dambordvlieg (Sarcophaga carnaria).
Het is altijd ongelooflijk om zien hoe snel een spin zo'n enorme prooi kan overmeesteren: eerst gaat ze erop af, wikkelt de vlieg half in, zet er haar tanden in, wikkelt ze wat verder in, en gaat ze terug naar het midden van haar web. Dan keert ze terug, bijt er nog wat aan, wikkelt wat verder, en sleept ze de vlieg naar het midden van het web om er verder op te sabbelen.
Het mag vreemd lijken, maar kruisspinnen halen waarschijnlijk het grootste deel van hun proteïnen uit veel kleinere prooi: de kleine mugjes en vliegjes en bladluisjes die het web nauwelijks doen bewegen, maar die de vlieg elke avond opvreet als ze har web afbreekt en vooraleer het weer op te bouwen.
Deze spin zit zo'n beetje overal in de tuin, vooral in deur- en raamkozijnen, en ik heb de indruk dat ze overdag wat verborgen blijven en pas 's avonds en 's nachts uitkomen.
Ik heb geprobeerd de spin hierboven te voederen, maar da's niet meteen gelukt: mieren moest ze niet hebben. Ze liep er enthousiast naartoe, maar na een paar keer snuffelen moet ze besloten hebben dat een mier net iets te groot of te sterk is, of misschien smaken ze gewoon niet lekker. Ik zal eens opnieuw moeten proberen met fruitvliegjes.
De spinnetjes hieronder zijn herfstspinnen. Ze lijken wat op kruisspinnen, en zijn bijna even variabel van kleur. Ze hebben wel een een andere tekening, en hun web is niet zo fijnmazig en het heeft vaak een gat in het midden.